Hij wandelde voort op zijn dooie gemak,
al met bijzondere gratie:
hij droeg een rokje van wafelgebak,
met knopen van speculaasje.
Zijn schoenen, die waren van witte drop,
en elke knoop was een krentje.
Ik wou, ik zijn adres maar geweten had,
want nooit zag ik een aardiger ventje dan dat.
Neen, nooit zag ik aardiger ventje!
(Naar Lena van Gestel, Momenten van...,
verhalen over vroeger, Bohn Stafleu Van Loghum, 2008)
~
|